Hebben hoogbegaafde kinderen altijd hoogbegaafde ouders?


Er is veel onderzoek gedaan naar de overeenkomsten tussen partners en het blijkt dat zij veelal grote overeenstemming vertonen in lengte, persoonlijkheid, sociale klasse en aantrekkelijkheid. De eigenschap waarop partners elkaar het sterkst selecteren is echter intelligentie. Het IQ van partners ligt dus redelijk op gelijk niveau. Het zou dan ook een logische conclusie kunnen lijken dat ook de kinderen van deze stellen een IQ hebben dat ongeveer hetzelfde is als dat van hun ouders. De appel valt immers niet ver van de boom? Toch blijken er nog wel wat kanttekeningen te plaatsen te zijn bij deze conclusie.


Erfelijkheid en IQ
IQ is inderdaad in sterke mate genetisch bepaald. De maat h² staat voor het Engelse woord heritability en geeft aan welk deel van de verschillen tussen mensen genetisch bepaald is. Als alle studies naar deze verschillen bij elkaar worden genomen, levert dit een h² op van .50 wat betekent dat 50 procent van de verschillen genetisch is bepaald en de andere 50 procent niet-genetisch is. Veel onderzoeken zijn echter gedaan bij jonge kinderen en het is bekend dat de waarde van h² stijgt naarmate mensen ouder worden. Deze zou op latere leeftijd eerder .80 zijn en een onderzoek van de Vrije Universiteit in Amsterdam in 2002 gaf zelfs aan dat deze .90 is (Nijenhuis, 2006).

Regressie naar het gemiddelde
Er bestaat echter ook zoiets als ‘regressie naar het gemiddelde’. De Brit Francis Galton, neef van de beroemde Charles Darwin, stelde dit vast. Regressie naar het gemiddelde houdt in dat verschillende menselijke eigenschappen, zoals lengte en intelligentie, de neiging hebben om dichter bij het gemiddelde te komen te liggen in een volgende generatie. Lange ouders hebben gemiddeld bijvoorbeeld ook vrij lange kinderen, maar deze zijn vaak gemiddeld toch iets korter dan zijzelf, terwijl korte ouders vaak ook vrij korte kinderen hebben, maar deze zijn vaak toch iets langer dan zij zelf. Dit geldt ook voor IQ. Heel intelligente ouders hebben meestal iets minder intelligente kinderen en andersom ook: heel intelligente kinderen hebben vaak ouders wiens IQ dichter bij de 100 ligt. Het is echter ook waar dat hoe hoger het IQ van een kind blijkt te zijn, hoe groter de kans is dat het ouders heeft van wie het IQ ook boven de 130 ligt:

  • Bij kinderen met een IQ tussen 130 en 140 of meer ligt het gemiddelde IQ van de twee ouders in ong. 75% van de gevallen onder 130.
  • Bij kinderen met een IQ tussen 140 en 150 of meer ligt het gemiddelde IQ van de twee ouders in ongeveer 59% van de gevallen onder de 130.
  • Bij kinderen met een IQ van 150 of meer ligt het gemiddelde IQ van de twee ouders in ongeveer 41% van de gevallen onder de 130.

Hoe werkt dit nu precies? Daarvoor is enige kennis over genen van belang. Een gen bestaat uit twee delen, een allel van de moeder en een allel van de vader. Een allel kan dominant (A) of recessief (a) zijn. Dit leidt tot drie mogelijk combinaties: AA, Aa of aa. In de eerste twee gevallen, AA en Aa, heeft het kind 'geluk' als het gaat om een positieve eigenschap, zoals een hoge intelligentie. Er is sprake van een IQ-verhogend effect. Aa heeft namelijk hetzelfde effect als AA. Kinderen echter die 'pech' hebben en veel aa allelen hebben gekregen, hebben dit effect niet en hebben dus een lagere intelligentie dan hun ouders. Als ouders veel 'geluk' hebben gehad, hebben ze zelf ook veel genen met de combinatie AA of Aa ontvangen en geven ze deze weer door aan hun kinderen. De kans dat zij deze genen voor 100 procent doorgeven is echter zeer klein. Hun kinderen worden minder intelligent dan zij zelf zijn. Andersom is echter ook waar. Als ouders zelf 'pech' hebben gehad met hun genenpakket, is de kans ook heel klein dat zij hun ‘slechte’ genen voor 100% doorgeven aan hun kinderen en niets van hun gunstige genen. Hun kinderen worden dus gemiddeld iets intelligenter.

Hoogbegaafde ouders?
De Amerikaanse onderzoeker Lewis Terman deed in 1920 longitudinaal onderzoek onder 1000 extreem hoogbegaafde kinderen (gemiddeld IQ 152). Dertig jaar later deed Terman nog eens onderzoek, maar nu naar 384 nakomelingen van de eerste onderzoeksgroep. Het gemiddeld IQ van deze onderzoeksgroep was 128. Dat is nog steeds heel hoog, maar wel 24 punten lager dan het gemiddeld IQ van de eerdere onderzoeksgroep! Wat kun je dus zeggen over de ouders van hoogbegaafde kinderen? Zijn zij zelf ook hoogbegaafd? De kans is groot van niet. De grote groep ouders met een IQ tussen de 100 en 125 brengt een enorme hoeveelheid kinderen voort, waarvan slechts een gedeelte hoogbegaafd is. Omdat het echter gaat om een grote groep, is dit percentueel gezien wel een groot gedeelte van het aantal hoogbegaafden. De groep ouders met een IQ tussen de 126 en 140 is veel minder groot en zal dus ook in totaal veel minder hoogbegaafde kinderen voortbrengen. De ouders met een IQ tussen de 141 en 160 krijgen eveneens te maken met regressie naar het gemiddelde. De kans dat zij een hoogbegaafd kind voortbrengen, is echter heel groot. Ouders met een extreem hoog IQ brengen veel hoogbegaafde kinderen voort, maar het absolute aantal hoogbegaafde kinderen in deze groep is nog veel kleiner. De Duits-Britse psycholoog en onderzoeker in de sociale wetenschappen Hans Eysenck schreef in het voorwoord van één van zijn boeken het volgende: ‘To my children. Hoping the regression to the mean didn’t deal too harshly with them.’ Vele van zijn kinderen en kleinkinderen bleken hoogbegaafd te zijn, maar toch kon niemand het niveau van dit genie zelf bereiken.

Gebruikte literatuur: