Hoe ga ik om met zindelijkheidsproblemen?

Of hoogbegaafde kinderen vaker zindelijksheidsproblemen hebben dan kinderen met een gemiddeld IQ, is niet onderzocht. Vanuit ons werk als orthopedagogen krijgen wij echter regelmatig de vraag hoe ouders met zindelijkheidsproblemen bij hun zoon of dochter kunnen omgaan. Allereerst is het natuurlijk van belang om na te gaan of een kind überhaupt al zindelijk is geweest, om uit te sluiten dat er een lichamelijk oorzaak aan de problemen ten grondslag liggen. Als dit echter niet het geval is, kan het volgende antwoord je misschien verder helpen.

 


De snelle kinderen
In de praktijk komen we twee groepen hoogbegaafde kinderen tegen: de eerste groep kinderen zijn heel snel zindelijk en ouders geven vaak aan dat hun kind van de ene op de andere dag zindelijk werd. De ouder legde het een keer goed uit en het kind snapte precies wat hij of zij moest doen, sloeg vaak de fase van het potje over en besloot dat hij of zij eraan toe was om voortaan te plassen en te poepen op het toilet. Meestal zijn deze kinderen ook ’s nachts snel zindelijk en hebben bijna nooit meer een ongelukje. Als deze kinderen later een terugval hebben in zindelijkheid, is er vaak iets aan de hand op emotioneel gebied. Het kind heeft last van spanningen en een voortdurend gevoel van onbehagen. Omdat een peuter of kleuter deze spanningen nog niet goed verbaal kan uiten, krijgt hij last van buikpijn en wordt hij ‘zeurderig’. Als een kind zich op school bijvoorbeeld steeds moet aanpassen of als hij steeds onder zijn niveau moet werken, vinden ze het ook steeds moeilijk om naar hun eigen lichaam te luisteren. Ook kan het zijn dat het kind erg opstandig en boos is geworden, omdat het bijvoorbeeld op school wordt gepest of omdat het zich door de ouders of leerkracht totaal niet begrepen voelt. Door in de broek te plassen (of te poepen) kan het indirect laten merken dat hij het niet eens is met de gang van zaken. In dit geval gebruikt het kind zijn lichaamsfunctie als een soort machtsmiddel. Als grote mensen namelijk voor jouw gevoel macht over je proberen uit te oefenen door je steeds dingen te laten doen die je helemaal niet fijn vindt, kun je hen in ieder geval laten merken dat ze over één ding geen macht hebben en dat is hoe jij je lichaamsfuncties inzet! Dit geldt trouwens ook voor andere lichaamsfuncties, zoals het niet willen eten of slapen. Hierin kun je je eigen baas zijn. In beide gevallen, zowel bij spanning als bij boosheid, is het van belang dat de oorzaak van de zindelijkheidsproblemen wordt aangepakt in plaats van allerlei belonings- of ontmoedigingsmaatregelen in te gaan stellen. Dit laatste zal namelijk niet helpen, zolang het kind niet lekker in zijn vel zit. De zindelijkheidsproblemen verdwijnen vaak vanzelf als het kind beter in zijn vel komt te zitten.


De dromers
De tweede groep kinderen zijn de ‘dromers’. Dit zijn de hoogbegaafde kinderen die prima in hun vel zitten, maar alles om hen heen zo geweldig interessant vinden, dat ze compleet kunnen vergeten dat de ‘basiszaken’ ook gedaan moeten worden. Deze kinderen – meestal jongens – worden niet van de één op andere dag zindelijk. Ze snappen prima wat de bedoeling is en doen ook heel goed hun best om netjes en op tijd op het potje of op de wc te gaan, maar ja … onderweg naar het toilet kun je zoveel tegen komen dat de moeite waard is om goed te bekijken en uit te proberen. Zeker als je net op school zit, waar zoveel interessante dingen te beleven zijn! Meestal maken deze kinderen fases mee waarin het heel goed gaat, afgewisseld met fases waarin het niet zo lekker loopt en het kind iedere dag wel een natte broek heeft, soms meerdere keren per dag. Met name tijdens periodes waarin er veel verandert (de komst van een broertje of zusje, een verhuizing of de eerste weken op school), komt terugval in zindelijkheid vaak voor. Het valt mij op dat er door ouders en leerkrachten van deze kinderen te snel paniekerig wordt gereageerd en te snel gedacht wordt aan een emotioneel probleem. Terwijl het probleem meer zit bij de executieve functies die bij het kind nog niet optimaal ontwikkeld zijn, zoals het vermogen om te plannen en vooruit te kijken. Bij dit kind helpt het om het kind aan te moedigen op tijd naar het toilet te gaan en bijvoorbeeld te belonen met een stickerkaart als het goed is gelukt. Leg er niet te veel nadruk op als het fout gaat. Ongelukjes kunnen voorkomen. Vergroot het vooral uit als het kind ‘droog is gebleven’ en benoem het ook op deze manier: ‘Probeer je vandaag een droge broek te houden?’ Laat steeds merken dat je het fijn vindt als hij schoon en droog blijft, maar ook dat je evenveel van hem houdt als dit niet lukt. Verder kan het helpen om de leerkracht te vragen het kind er regelmatig aan te herinneren dat hij op tijd naar het toilet gaat. Om zelfstandigheid bij dit kind te bevorderen, kun je hem ook leren zichzelf te verschonen en de natte kleren op te ruimen.