Kenmerken van een ontwikkelingsvoorsprong bij baby's

Als wij een intake afnemen bij ouders en daarbij vragen naar de ontwikkeling vanaf de geboorte, is er vaak sprake geweest van:

  • Alertheid: ‘Hij keek heel wijs uit zijn ogen, met zo’n ouwelijke blik. Alsof hij echt al begreep wat hij zag. De kraamverzorgster zei het ook: ‘Nou, daar krijg je nog wat mee te stellen!’ Ook geven ouders vaak aan dat hun kind al snel het hoofdje uit zichzelf kon optillen, soms al meteen na de geboorte. Het kind wilde meteen goed om zich heen kunnen kijken en volgde al snel met de ogen wat in de omgeving gebeurde. Veel ouders geven ook aan dat hun kind maar weinig slaap nodig had en veel behoefte had aan prikkels. Dit leidde op een kinderdagverblijf weleens tot problemen, omdat daar een strak slaap- en waakritme werd gehanteerd. Een baby met een voorsprong kan soms al uitgerust zijn na een half uur slaap. Als hij wakker is, ontdekken ouders vaak al snel dat hij het niet prettig vindt om op zijn rug te liggen. Hij wilde het liefst rechtop worden gehouden. Sommige ouders kunnen zich herinneren dat hun kind soms enorme huilbuien kon krijgen als het overprikkeld was. Dit zijn later vaak gevoelige kinderen die zeer intens reageren op alles wat zij waarnemen. Ook kon de baby heel gefrustreerd reageren omdat hij niet op alle prikkels kon reageren en hierdoor gefrustreerd raakte.

  • Vlot contact: Volgens de groeigids van het consultatiebureau lachen baby’s gemiddeld voor het eerst rond de vijf á zes weken. Ouders van kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong geven aan dat hun kind al in de tweede of derde week gericht begon te lachen. Deze kinderen blijken zeer goed te kunnen observeren en kopiëren. Ze maken al snel oogcontact.

  • Hoog geboortegewicht: kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong hebben vaker een hoger geboortegewicht.

  • Vlotte taal- en spraakontwikkeling: de meeste kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong tonen al heel jong een goed begrip voor gesproken taal. Er zijn slimme kinderen die al hun eerste woordjes zeggen als ze amper een half jaar oud zijn. Ook lijken ze de betekenis van deze woorden goed te begrijpen. Rond de eerste verjaardag praat het kind dan al in korte zinnetjes. Een andere groep slimme kinderen lijkt juist heel traag te zijn in het praten. De goede passieve woordenschat (namelijk het kunnen begrijpen van woorden zonder deze actief zelf te gebruiken) valt vaak op, maar deze kinderen lijken wat meer perfectionistisch te zijn dan de kinderen uit de hiervoor genoemde groep en wachten tot zij het in eigen ogen goed genoeg kunnen. De brabbelfase wordt overgeslagen en ouders zijn vaak verbaasd als er plotseling een hele zin wordt gezegd met ingewikkelde woorden.

  • Vlotte motorische ontwikkeling: Veel slimme kinderen zijn in het algemeen sneller met omrollen, zitten en optrekken dan gemiddeld. De ouders kunnen dusdanig in de war raken als ze de ontwikkeling van hun kind vergelijken met de ontwikkeling die in de boekjes wordt aangegeven. Een gegeven dat opvallend vaak door ouders wordt genoemd, is dat hun kind de kruipfase heeft overgeslagen of dat het kind maar heel kort heeft gekropen. Een alternatief is vaak het op de billen schuiven. Het is niet goed duidelijk waarom slimme kinderen dit patroon laten zien. Wellicht hebben ze zo op zeer jonge leeftijd al een groter gevoel van overzicht op hun omgeving. De Franse onderzoeker Vaivre-Douret onderzocht het verband tussen vroege ontwikkelingskenmerken en biologische, neurologische processen. Zij vond dat kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong vaak een vroegrijpheid laten zien in het gebruik van spieren, waardoor zij al vroeger hun hoofdje voor langere tijd kunnen optillen dan kinderen met een gemiddelde intelligentie. Ook reflexen, zoals het Moro reflex (primaire schrikreflex) dat meestal uitdooft als het kind twee tot vier maanden oud is, dooft eerder uit bij kinderen met een hoog IQ.

Omdat het niet mogelijk is om een betrouwbare intelligentietest af te nemen bij baby’s of op een andere manier academische vaardigheden te meten op deze leeftijd, heerst de opvatting dat een ontwikkelingsvoorsprong niet te signaleren zou zijn. Dat is echter niet het geval. Longitudinaal onderzoek (Vaivre-Douret, 2011) wijst uit dat begaafdheidskenmerken bij zeer jonge kinderen worden waargenomen. Deze zijn samen te vatten in een zeer grote mate van leergierigheid, de snelheid waarmee nieuwe dingen worden geleerd en een groot vermogen om zich te concentreren. Dit laatste kenmerk heeft te maken met een eigenschap die overal in naar voren komt, als wij in gesprek zijn met ouders van een hoogbegaafd kind, namelijk de grote mate van intensiteit waarmee het leven door hoogbegaafden wordt geleefd. Deze intensiteit is dus al zichtbaar in de babytijd.